asgrijze den (whitebark pine, Pinus albicaulis)
externe links:
- foundation
- schimmel
De asgrijze den (den met grijswitte stam) komt voor in de bergen van Noord Amerika, vooral in de subalpiene gebieden van de Sierra Nevada, Cascade Range, Pacific Coast Range en de noordelijke Rocky Mountains. Deze den markeert daar de boomgrens; het is een van de weinige boomsoorten die de zeer zware omstandigheden die er op die hoogte heersen, kunnen overleven. Vele exemplaren van deze boom die in Crater Lake Nationaal park groeien, zijn door de sterke, vrijwel constante wind mismaakt en klein gebleven. De druk verbuigt de stam en de takken zodanig dat ze van de wind af groeien. Onder gunstigere omstandigheden kan een asgrijze den tot meer dan 20 meter hoog worden.
Deze den biedt nestmogelijkheden voor eekhoorns en vogels en is een belangrijke voedselbron voor beren en andere dieren. Uit onderzoek blijkt dat de beschikbaarheid van zaden van deze den een goede indicator is voor het gedrag en demografie van beren. In jaren dat de asgrijze den een goede zaadproductie heeft, blijken er veel minder conflicten tussen beren en mensen te zijn (c.q. er worden minder beren gedood) dan in "magere" jaren. Als beren veel zaden kunnen eten, zijn ze namelijk minder snel geneigd om naar lagere hoogtes te gaan om daar voedsel te zoeken. In veel gebieden gaat het echter niet zo goed met de asgrijze den en dat is dus geen goed nieuws voor de beren die in de betreffende gebieden leven.


De Whitebark Pine Ecosystem Foundation is "a science-based non-profit organisation dedicated to counteracting the decline of whitebark pine and enhancing knowledge about the value of its ecosystems". Volgens deze organisatie zijn de belangrijke bedreigingen voor de asgrijze den: een geïntroduceerde schimmel die blaasroest (white pine blister rust) veroorzaakt, de endemische kever (mountain pine beetle) en het veranderende klimaat en brandregime. Blaasroest wordt veroorzaakt door Cronartium ribicola, een schimmel die in 1910 in Vancouver (Canada) werd geïntroduceerd en zich daarna flink heeft verspreid. De grootste infectieniveau's komen voor in het noordwesten van de VS en het zuidwesten van Canada. Tussen 1909 en 1940 en in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw waren er wijdverspreide uitbraken van de dennenkever in de Rocky Mountains. Ook nu zijn deze kevers plagen in dit gebied evenals in het noorden van Idaho en Montana. Op de website van de foundation is meer in formatie te vinden over de bedreigingen voor de asgrijze den.


(Uit: www.kennislink.nl, 26-11-2012)
Kevers veranderen het klimaat
Een kevertje van amper een halve centimeter heeft de zomertemperatuur in de naaldbossen van Canada de afgelopen 10 jaar ongeveer 1 graad doen stijgen. En hoe warmer het wordt, hoe beter het beestje gedijt. Eén van de veroorzakers van de opwarming van de atmosfeer is een kevertje van amper een halve centimeter. Dankzij dit beestje zijn de zomers in de naaldbossen van Canada de afgelopen 10 jaar ongeveer 1 graad warmer geworden, schreven onderzoekers uit Canada en de VS gisteren in Nature Geoscience.
Sinds een jaar of tien vormt de Dendroctonus ponderosae, zoals het dennenkevertje officieel heet, een ware plaag in de Canadese bossen. Dankzij de mildere winters vriezen de beestjes niet meer dood, en verspreiden ze zich over een steeds groter gebied. De naaldbomensterfte die ze veroorzaken geldt als één van de grootste ecologische rampen die Canada ooit getroffen heeft. Al 170.000 vierkante kilometer bos in Brits Columbia is gedurende de afgelopen 10 jaar afgestorven; een oppervlakte waar Nederland ruim vier keer in past.
Waterhuishouding
En dat heeft zo zijn gevolgen voor het klimaat ter plekke. Het verdwijnen van het bos heeft invloed op de reflectie van het zonlicht en op de waterhuishouding. De verdamping van water neemt in aangetaste bossen met bijna 20% af, concludeerden de aardwetenschappers uit satellietgegevens van het gebied, en dat leidde uiteindelijk tot een temperatuurstijging van 1 graad in de zomer. Het effect is vergelijkbaar met dat van een bos dat verwoest is door een bosbrand. Uiteindelijk kunnen dit soort processen het hele klimaatsysteem ter plekke veranderen, denken de onderzoekers. De warmte die eerder werd gebruikt om water te verdampen schroeft nu de temperatuur omhoog, en dat kan invloed hebben op luchtcirculatie, wolkvorming en neerslagpatronen. Of dit inderdaad gebeurt hangt af van de afstand waarover aangetaste en niet-aangetaste bossen elkaar afwisselen.
Globale effecten
Niet alleen het lokale klimaat wordt door het afsterven van de bossen beïnvloed, ook de wereldwijde opwarming neemt toe dankzij het verwoestende werk van de dennenkever. Dode bomen vangen immers geen CO2 af, maar stoten het zelfs uit zolang het hout ligt te vergaan.
De dennenkever
D. ponderosae legt zijn eieren onder de schors van een dennenboom. Terwijl hij de boom doorboort maakt hij een schimmel aan die de afweer van de boom tegen de kever l amlegt, maar er tevens voor zorgt dat de doorvoer van water en voedingstoffen door de boom heen geblokkeerd raakt. Tot overmaat van ramp beginnen de larven zodra ze uit de eieren komen zich tegoed te doen aan de boomschors. Binnen een paar weken na de infectie legt de boom dan ook doorgaans het loodje. Draagt dit normaliter bij aan de gezondheid van het bos – er moet nu eenmaal af en toe ruimte gemaakt worden voor wat nieuwe aanwas – de laatste jaren vormen de dennenkevers een ware plaag.
Bron: Maness e.a. Summertime climate response to mountain pine beetle disturbance in British Columbia Nature Geoscience doi:10.1038/ngeo1642.